heup.info

de anatomie van de heup

anatomie van de normale heup

In het heupgewricht komen het dijbeen (femur) en het bekken bij elkaar. Het heupgewricht is een zogenaamd kogelgewricht. De bovenkant van het dijbeen is bolvormig, en heet daarom de "dijbeenkop". Deze kop valt in een holte van het bekken, de heupkom. De dijbeenkop wordt in de heupkom op zijn plaats gehouden door sterke gewrichtsbanden, die het hele gewricht bedekken. Deze constructie heet het 'gewrichtskapsel'. De dijbeenkop is bedekt met een gladde laag zacht wit weefsel, het kraakbeen. Ook de heupkom is bedekt met kraakbeen. Dit kraakbeen vormt een soort kussentje in het gewricht, waardoor de beenderen makkelijk en met een minimum aan wrijving over elkaar kunnen bewegen. In een normale heup zijn deze lagen kraakbeen samen ongeveer een halve centimeter dik en vrij gelijkmatig verdeeld. Het heupgewricht is dankzij de spieren en pezen eromheen een zeer sterk, soepel en stabiel gewricht. De spieren zorgen er bovendien voor dat het gewricht kan bewegen. Het heupgewricht is het grootste dragende gewricht van het lichaam.


De heup is een typisch "bol en kom" gewricht waarbij de bol of de heupkop zich diep in de pan van het bekken bevindt. Er is normaal gezien een perfecte pasvorm tussen bol en kom, zodat de heel grote krachten die op de heup inwerken (staan, lopen, springen) over een zo groot mogelijk oppervlak verdeeld worden. Zowel voor als achteraan zijn er een aantal stevige gewrichtsbanden die van het geheel een zeer stabiel en toch beweeglijk gewricht maken.


Stevige spieren rond de heup zijn noodzakelijk want de heup staat voor een deel in voor de stabiliteit bij het rechtstaan en de functie van de heup bij het normaal lopen is van groot belang. De dikke laag kraakbeen van de beide delen van de heup zorgt ervoor dat het gewricht soepel en pijnloos kan bewegen. Zolang de kraakbeenlaag intact is, zijn er geen problemen, zelfs op hoge leeftijd kan er voldoende intact kraakbeen aanwezig blijven om normaal te functioneren, zonder pijn.

spieren

Rond het heupgewricht bevinden zich spieren die de beperkte bewegingsuitslagen van het gewricht mogelijk maken. Het buigen van de heup wordt vooral mogelijk gemaakt door een zeer grote en sterke spier (de iliopsoas), die vanuit de lage rug via het bekken naar de binnenzijde van het bovenbeen loopt. De buiging wordt geholpen door de bovenbeenspieren (zoals de quadriceps). Deze loopt van de bekkenrand naar de knie en zorgt tevens voor een strekking van het kniegewricht. De beweging van het bovenbeen naar binnen wordt uitgevoerd door de adductoren. Aan de buitenzijde van het heupgewricht bevindt zich het peesblad van de tractus iliotibialis, die een stabiliserende functie voor de heup heeft en tevens doorloopt naar de buitenzijde van de knie. De beweging van de heup naar buiten (abductie) wordt ondersteund door de middelste bilspier (gluteus medius).




iliopsoas

quadriceps

tractus iliotibialis gluteus medius

Bij de strekbeweging van de heup zijn de bilspieren van belang. Deze maken het mogelijk om rechtop te kunnen staan. Draaibewegingen in het heupgewricht worden uitgevoerd door een samenwerking van de eerder genoemde spieren, waarbij de diepe bilspieren een belangrijke rol spelen. Op plaatsen waar pezen over uitstekende gewrichtsdelen lopen, maken slijmbeurzen het mogelijk dat de weefselstructuren over elkaar glijden.

 

bronnen:
medische literatuur

Dr. Hans Mortelé, www.orthoinfo.be en www.orthoinfo.nl