Een aangeboren slechte ontwikkeling van het heupgewricht, waardoor de kop
van het dijbeen onvoldoende overdekt wordt door de heupkom. De kop bevindt
zich wel op de juiste plaats, maar heeft een te grote beweeglijkheid, waardoor
het heupgewricht niet goed werkt. Bij een heupluxatie is de heupkop uit de
kom geraakt,. dit kan ontstaan bij baby's met heupdysplasie.
kans op heupdysplasie
Ongeveer 1 op de 50 pasgeborenen heeft heupdysplasie en het komt vaker voor
bij meisjes dan bij jongetjes. De kans op heupdysplasie is groter wanneer
er in de familie aangeboren heupafwijkingen voorkomen. Wanneer een kind een
andere aangeboren afwijking zoals een open ruggetje of een klompvoetje heeft,
is de kans op heupdysplasie groter. Ook stuitligging geeft een grotere kans
op heupdysplasie.
onderzoek
Bij onderzoek door huisarts of consultatiebureau wordt nagegaan of de baby misschien
heupdysplasie heeft. Wanneer de heupdysplasie beperkt is tot één
heup, dan is het te wellicht zien aan een beenlengteverschil en een extra bilplooi.
Bij een dubbelzijdige heupdysplasie is het moeilijker vast te stellen omdat
er dan meestal geen beenlengteverschil en extra bilplooi te zien is. Een ernstige
heupdsyplasie kan met behulp van echografie geconstateerd worden. Wanneer een
kind tot een van de risicogroepen behoort, kan dit aanleiding zijn om een röntgenfoto
te maken, dit kan op zijn vroegst op de leeftijd van 4 à 5 maanden.
behandeling
De behandeling moet worden begonnen voor het kind gaat lopen. De behandeling
bestaat uit het wijder houden van de beentjes. Dit gebeurt door middel van een
spreidmiddel, waarbij het kind de beentjes nog enigszins bewegen, maar soms
is een minder flexibele constructie noodzakelijk.
Wanneer heupdysplasie niet op tijd, na een leeftijd van anderhalf à
twee jaar opgemerkt, dan kan de behandeling plaatsvinden door middel van een
operatie, waarbij de overdekking van de heupkop door de heupkom wordt vergroot.
Dit gebeurt meestal voor het zesde jaar.